-
1 upsurge
-
2 leap
n. sprong; aanloop--------v. springen; aanloop nemen; doen springenleap1[ lie:p] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 sprong ⇒ gesprongen afstand; plotselinge toename/verandering; (door een sprong te passeren) hindernis/obstakel♦voorbeelden:————————leap21 (op/vooruit) springen2 plotseling/(als) met een sprong geschieden♦voorbeelden:¶ leap out (at someone) • eruit springen (voor iemand), opvallen (bij iemand)her heart leaped up • haar hart maakte een sprongetje→ look look/II 〈 overgankelijk werkwoord〉 -
3 boom
n. lawaai, boem; gedreun; (haven)boom; arm van pickup--------v. dreunen; donderenboom1[ boe:m] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 (dof, hol) gedreun ⇒ gebulder, gedaver2 hausse ⇒ (periode van) hoogconjunctuur, sterke loon/prijsstijging3 (hoge) vlucht ⇒ (plotselinge, krachtige) stijging/toename 〈in aanzien/rijkdom e.d.〉, bloei, opkomst♦voorbeelden:————————boom2♦voorbeelden:the clock boomed out • de klok dreundeII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 〈vaak +out〉bulderend/galmend/dreunend uiten
Перевод: с английского на нидерландский
с нидерландского на английский- С нидерландского на:
- Английский
- С английского на:
- Нидерландский